Les:
1A Heb je een leuk weekend gehad?
Boek / pagina’s:
Pagina 9 tot en met 16. In deze les staat een dialoog over het weekend, gevolgd door een woordenlijst, een leesoefening met waar of niet waar en grammatica over de voltooide tijd. In de dialoog vertellen Pedro en Herman wat zij in het weekend hebben gedaan. Pedro is op bezoek geweest bij de ouders van zijn vriendin, heeft gegeten en gevoetbald. Herman is naar een verjaardagsfeest geweest, heeft met zijn overburen gepraat en heeft zondag uitgeslapen. Daarna volgt op pagina 13 de opdracht waar of niet waar en op pagina 16 grammatica over het perfectum.
Lesdoel:
Cursisten kunnen in vier zinnen vertellen wat zij in het weekend hebben gedaan en reageren op de vraag: “Heb je een leuk weekend gehad?”
Leeropbrengst:
Aan het einde van de les kan iedere cursist iets zeggen over zaterdag, zondag en een mening geven over het weekend, bijvoorbeeld leuk, druk of saai.
Hoofdvaardigheid:
Spreken.
Ondersteunende vaardigheid:
Lezen en luisteren.
Productieve taak:
De cursist voert een weekendgesprek en produceert korte zinnen over het eigen weekend.
Receptieve input:
Dialoog over twee collega’s die in de koffiepauze over hun weekend praten, woordenlijst, leesoefening en voorbeelden van de voltooide tijd.
Taalfocus:
Weekendwoordenschat, ervaringen uit het verleden en de voltooide tijd.
Examenrelevantie:
Cursisten oefenen begrijpend lezen, luisteren naar hoofdinhoud, mondeling reageren op persoonlijke vragen en korte schriftelijke output.
Benodigd materiaal:
Boek, audio of voorleesversie van de dialoog, bord, schrift, chat of breakout rooms voor online cursisten.
VUT:
Vooruitkijken: de docent benoemt het lesdoel, haalt het huiswerk op en activeert voorkennis met weekendwoorden.
Uitvoeren: cursisten lezen of luisteren naar de dialoog, doen een woordenschatactiviteit, beantwoorden begripvragen, maken de oefening waar of niet waar, voeren een weekendgesprek en doen een rolspel.
Terugkijken: cursisten formuleren drie zinnen over hun eigen weekend en laten zien dat zij de hoofdtaalhandeling kunnen uitvoeren.
Tijdsindeling:
0 tot 15 min, lesdoel benoemen, huiswerk ophalen, weekendwoorden activeren
15 tot 40 min, dialoog lezen of luisteren en eerste uitleg
40 tot 60 min, begripcheck en waar of niet waar
60 tot 80 min, woordenschatactiviteit en duo overleg
80 tot 95 min, pauze
95 tot 125 min, functionele taak, rolspel koffiepauze
125 tot 145 min, hybride koffiepauze interview of verdiepende duo uitwisseling
145 tot 155 min, terugblik met drie zinnen over weekend
155 tot 165 min, huiswerk uitleggen en les 3 voorbereiden
Woordenschatactiviteit:
Gebruik woorden uit de woordenlijst van de les, zoals bedrijf, strand, boulevard, boerenkool, worst, verloren, balen, saai en uitgeslapen. Laat duo’s drie woorden kiezen en met elk woord één zin maken, bijvoorbeeld: “Ik werk bij een groot bedrijf.” “Zondag heb ik uitgeslapen.” “Dat feestje was saai.”
Instructie docent:
Lees of laat de dialoog horen en laat cursisten meelezen. Geef eerst een luistervraag: wie deed wat in het weekend? Bespreek daarna kort de hoofdpunten uit de tekst en koppel die aan het gebruik van de voltooide tijd, zoals “ik heb gevoetbald” en “zaterdagavond ben ik op een verjaardagsfeest geweest”.
Moment cursist aan het woord:
Laat cursisten in duo’s vier weekendvragen aan elkaar stellen:
“Heb je een leuk weekend gehad?”
“Wat heb je zaterdag gedaan?”
“Wat heb je zondag gedaan?”
“Was je weekend leuk, druk of saai?”
Daarna wisselen ze van rol.
Functionele taak:
Rolspel koffiepauze op maandagochtend.
Situatie: je bent op school of op je werk en spreekt een collega of medecursist.
Model:
“Hoi, heb je een leuk weekend gehad?”
“Ja, best wel.”
“Wat heb je gedaan?”
“Zaterdag heb ik …”
“Zondag heb ik …”
“En jij?”
Check op begrip:
Stel open vragen over de tekst:
“Wat deed Pedro op zaterdag?”
“Wat deed Pedro op zondag?”
“Waarom vond Herman het feestje saai?”
“Waarom zegt Pedro dat het weekend te kort was?”
Laat daarna cursisten uitleggen waarom uitspraken waar of niet waar zijn. De opdracht waar of niet waar staat op pagina 13 van de les.
Werkvorm voor actieve deelname:
Waar of niet waar, eerst individueel, daarna duo overleg. Laat cursisten eerst zelf kiezen en daarna in duo’s bespreken waarom iets waar of niet waar is.
Praktijkleren in de les:
De les bootst een echte maandagse koffiepauze na op school of werk. De taalhandeling is direct bruikbaar in het dagelijks leven.
Praktijkleren buiten de les:
Cursisten letten buiten de les op woorden of zinnen over weekend en verleden, bijvoorbeeld in gesprekken thuis, op straat of op werk, en nemen die observatie mee naar de volgende les.
Hybride opdracht / werkvorm:
Hybride koffiepauze interview. Zet de vier weekendvragen op het bord en in de chat. Cursisten in de klas werken in duo’s. Online cursisten gaan per twee in een breakout room. Cursist A stelt de vier vragen, cursist B antwoordt in hele zinnen. Daarna wisselen ze. Terug in de groep vertelt iedere cursist in twee zinnen iets over de partner.
Terugblik op opbrengst:
Laat iedere cursist aan het einde drie zinnen zeggen of schrijven:
“Zaterdag heb ik …”
“Zondag heb ik …”
“Mijn weekend was …”
Huiswerk:
Bereid les 3 voor. Lees thuis pagina 17 tot en met 19. Noteer 5 tijdwoorden of woorden die bij het verleden passen. Luister nog een keer naar de tekst of lees hem hardop. Schrijf daarna 4 korte zinnen over iets dat eerder gebeurde, met minimaal 2 tijdwoorden. Dit huiswerk bereidt les 3 voor met lezen, woordenschat, luisteren en schrijven. Les 3 is in het cursusprogramma namelijk 1A Wat gebeurde er, pagina 17 tot en met 25.